
Verliefd in Vertrouwen – Mijn Reis van Hoop naar Herstel
Soms, heel soms, ontmoet je iemand en voelt het alsof je elkaar al jaren kent. Dat had ik met Mar. Vanaf de eerste ontmoeting voelde het vertrouwd. Alsof we elkaars verleden begrepen, zonder dat we alles hoefden uit te leggen.
We werden onafscheidelijk. We deelden nachten vol gesprekken, verhalen over het leven, en stiltes die niet ongemakkelijk voelden. Haar bed – een verwarmd waterbed – voelde als een warme omhelzing na een lange dag. Als ik mijn ogen sloot, leek het net alsof ik dobberde op rustige golven. Alles voelde licht bij haar. Vrij. Onbezorgd.
We gingen samen naar optredens, deelde muziek, herinneringen, kroegen, gelach. We hadden geen plannen, geen verwachtingen. Alleen maar het nu. Alleen maar elkaar.
En toen… veranderde alles, weer.
—
Een onverwachte klik
Het begon met een webcam en een piratenzender uit Enschede. Een feestje, een DJ, en een blik via het scherm. Ray, noemde hij zichzelf. Hij zag mij. Vroeg of we elkaar konden ontmoeten.
Mijn eerste gedachte? Nee. Mijn hart was nog niet geheeld van de vorige breuk. Maar Mar keek me aan en zei: “Ik ga met je mee. Als het niks is, zijn we zo weer terug.”
Ik wilde het proberen. Even niet denken aan alles wat fout was gegaan. Gewoon weer voelen hoe het is om gewenst te zijn. Om gezien te worden.
En daar stond hij. Ray. Ogen die iets zachts uitstraalden. Een accent dat ik amper begreep. Twents. Het klonk vreemd, maar ergens ook lief. Toen hij merkte dat ik moeite had om hem te volgen, schakelde hij over op ABN. Dat kleine gebaar – dat hij zich aanpaste – raakte me.
We dansten. Lachten. Mar keek van een afstand toe, glimlachend. Alsof ze wist: dit moment was nodig voor mij.
En toen… legde hij zijn hand op mijn wang. Zijn vingers gleden langs mijn gezicht. Zacht, teder. Hij kuste me. Mijn hoofd zei nee. Mijn hart fluisterde ja. Het was verwarrend, maar mooi.
—
Een lange weg naar liefde
We hielden contact. Hij appte. Belde. Hij wilde het proberen – wij samen. Ondanks de afstand.
Ik twijfelde. En toch… ik wilde het. Ik was verliefd. Misschien naïef, maar oprecht.
Ik reisde naar Enschede. Hij stond op me te wachten met de fiets. Geen auto, maar een fietstocht met mijn armen om zijn middel voelde als een scène uit een film. Misschien zou dit het begin zijn van iets moois, dacht ik.
Ik leerde zijn wereld kennen. Zijn vrienden, zijn zus, zijn kinderen. En ineens voelde ik me er deel van. Het was chaotisch, maar hartelijk. Rommelig, maar warm.
En toen vertelde hij over zijn eigen kinderen. Twee prachtige kleintjes. Ik mocht ze ontmoeten. Mijn hart smolt. Misschien, heel misschien, was dit mijn nieuwe begin.
—
Een keuze uit liefde, of uit eenzaamheid?
Ik verhuisde. Nam afscheid van Mar. Van mijn ouders. Van veiligheid.
Samen met mijn hondje Bretley stapte ik op de trein. Ik weet nog hoe ik naar buiten keek, tranen in mijn ogen. Mijn ouders zwaaiden me uit. En ik vroeg me af: doe ik hier wel goed aan?
Maar ik was al onderweg.
—
Toen het licht langzaam doofde
De eerste weken voelde alles nieuw. Spannend. We woonden samen. Ik werkte. We lachten. Maar langzaam veranderde de sfeer.
Ray raakte me niet meer aan. Hij kwam thuis, dook onder de douche, en ging slapen. Geen knuffel. Geen kus. Alleen stilte. Op oudjaarsavond voelde ik me ziek. Hij ging naar een feestje, ik bleef alleen thuis. Later bleek dat hij bij zijn ex was. In haar bed.
Mijn wereld stortte in.
—
De nacht waarin ik mezelf verloor
In paniek dwaalde ik door de straten van Enschede, Bretley onder mijn jas tegen de kou. Vuurwerk knalde om me heen, alsof de wereld mijn pijn uitgilde. Mijn telefoon deed niets meer. Mijn hoofd tolde. Ik was alleen. Zo ver van huis.
Uiteindelijk vond ik de caravan van Ray. De deur was open. Bretley en ik kropen naar binnen, verkleumd, verslagen.
De volgende dag zag ik hem. Zijn gezicht vol twijfel. Hij moest ‘nadenken’. Ik wist genoeg.
—
En toen… brak ik echt
Ik werd ziek. Koorts. Pijn. De ambulance bracht me naar het ziekenhuis. Longontsteking. Bedrust. Ik belde Ray om me op te halen. Hij was dronken. Niet alleen.
Ik zocht hem op… en vond hem. In bed. Met zijn ex. Mijn hart brak opnieuw.
Terug naar waar ik mezelf vond
Zij was lief. Ze wist van niets. Ook zij werd aan het lijntje gehouden. Ik mocht bij haar blijven slapen, maar ik kon niet blijven. Alles in mij schreeuwde: ik wil naar huis.
Ik belde mijn moeder. Mijn vader, broer en schoonzus haalden me op.
—
De terugweg – en de strijd om wat van mij was
Toen ik wist dat ik niet kon blijven, dat ik weg moest uit Enschede, dacht ik eigenlijk maar aan twee dingen: mijn spullen… en Bretley.
Hij was mijn maatje. Mijn houvast. Mijn alles. Ik kon en wilde hem daar niet achterlaten. Hoe kon ik vertrekken zonder hem?
Samen met mijn vader, broer en schoonzus reed ik terug naar het huis waar ik al die tijd had gewoond. Of nou ja, waar ik dacht dat ik thuis was. Ray was er niet, maar zijn vriend – bij wie hij verbleef – had mijn spullen en mijn hondje.
We stonden daar voor de deur. Ik klopte. Eerst zacht. Toen harder. Ik riep zijn naam. Riep dat ik alleen maar mijn spullen en Bretley wilde. Geen drama. Geen woorden. Gewoon gaan.
Geen reactie.
Ik voelde paniek opkomen. Mijn vader legde een hand op mijn schouder. “Rustig,” zei hij. Maar hoe kon ik rustig blijven als ik niet wist of mijn hond daar binnen bang zat te wachten?
We belden opnieuw aan. Nog steeds niets. Uiteindelijk besloot ik: ik ga de politie bellen. Ik kon niet anders.
Toen ze kwamen en hoorden wat er aan de hand was – een jonge vrouw, ziek, gekwetst, weggelopen uit een onveilige situatie, haar persoonlijke bezittingen en hond nog binnen – grepen ze direct in.
De politie sprak met de bewoner. Langzaam ging uiteindelijk de deur open. De vriend van Ray keek me aan zonder iets te zeggen. Geen verontschuldiging. Geen uitleg.
Ik rende naar binnen. Mijn hart bonkte in mijn borst alsof ik een marathon had gelopen. Mijn enige focus: Bretley.
Toen ik hem zag, voelde ik tranen over mijn wangen stromen. Hij blafte zacht, sprong tegen me op. Mijn jas werd nat van zijn snuit. Alsof hij wilde zeggen: waar was je? En ik kon alleen maar denken: ik laat je nooit meer alleen.
Ik gooide wat kleren in een tas – zo veel mogelijk van wat ik kon dragen – pakte Bretley stevig op en liep naar buiten. De politie hield de situatie in de gaten, mijn vader opende de achterdeur van de auto, en ik stapte in. Kapot. Maar vastberaden.
We reden weg. Terug naar huis. Terug naar rust.
Terug naar waar ik mezelf vond
Thuis. De stilte. De geur van vertrouwdheid. Bretley op schoot. Mijn moeder dichtbij. Alles wat ik nodig had.
Ik belde Mar. Bod verontschuldigingen aan. Vertelde alles. En ze luisterde. Zonder oordeel. Alleen liefde.
We vonden elkaar weer. En met haar, vond ik ook mezelf terug.
—
Wat ik die nacht voelde
Die hele rit zat ik met Bretley op schoot. Hij sliep tegen me aan. Zijn vacht warm onder mijn handen. Buiten trokken de lichten van de stad voorbij, als vegen op een schilderij. Ik staarde naar buiten, maar zag niets.
In mijn hoofd draaide alles in cirkels. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Waarom heb ik zo veel gegeven aan iemand die me met lege handen liet?
Maar daar, in die auto, begon ik iets te voelen wat ik even kwijt was geraakt: controle. Ik had de kracht gevonden om weg te gaan. Om op te komen voor mezelf. En om datgene wat mij het meest dierbaar was – Bretley – terug te halen, koste wat het kost.
Wat ik geleerd heb
Ik leerde dat liefde je de lucht in kan tillen… maar je ook keihard naar beneden kan laten vallen.
Dat het oké is om te vallen, zolang je weer opstaat.
En dat echte vriendschap – zoals die van Mar – blijft. Zelfs als je het even vergeet. Zelfs als je jezelf even kwijtraakt.
Ik kijk nu terug met pijn, maar ook met trots. Want ik ben gegaan. En ik ben ook teruggekomen.
Niet als dezelfde persoon. Maar sterker. Wijzer. En dichter bij mezelf dan ooit tevoren.

Plaats een reactie