
“Mijn meisje, mijn strijd, mijn kracht”
We gaan even terug in de tijd—naar het moment dat Angelina vier maanden oud was.
Mijn vrolijke, zachte baby veranderde plotseling. Ze begon te hoesten, haar neusje zat helemaal dicht. Een gewone verkoudheid, zei de dokter. Maar ik voelde dat er iets niet klopte.
Toen kwam de koorts. En het overgeven… niet alleen melk, maar echt alsof haar hele kleine lijfje alles eruit gooide. Ze weigerde te drinken, haar flesje duwde ze telkens weg.
Mijn moederhart bonkte van zorgen.
’s Avonds werd het erger. Ik belde de huisartsenpost en mocht direct langskomen. In paniek pakte ik haar op en reed met klamme handen naar het ziekenhuis.
Daar kreeg ze een vernevelmaskertje op. Ik keek naar haar gezichtje, zo klein, zo ziek. De arts zei dat ze moest blijven. Ze at en dronk niet meer – het was te ernstig.
Angelina kreeg een sonde. Een slangetje via haar neusje zodat ze voeding kon krijgen. Ik kon alleen maar denken: Waarom nou zij? Waarom mijn meisje?
De diagnose: RS-virus.
Artsen in pakken, met maskers en handschoenen, kwamen binnen alsof ze uit een andere wereld kwamen. Mijn wereld stond stil.
Twee nachten sliep ik naast haar op een smal ziekenhuisbedje, uitgeput maar vastbesloten. En toen—een sprankje hoop.
Angelina begon weer te drinken, haar fruithapje te eten… Ze vocht terug.
De arts zei: “Als ze om 14:00 nog goed eet, mag ze naar huis.”
En dat deed ze. Mijn dappere meisje.
Een week later was het virus voorbij, en ik had mijn Angelina terug.
—

Inmiddels woonden we alweer een jaar in ons nieuwe huis. Ons paleisje.
De straat voelde als een kleine camping: een gezellige buurt, lieve buren, een poortje in de lage schutting.
We aten bij elkaar, pasten op elkaars kinderen, vierden verjaardagen en feestdagen.
En dan die zomer…
We gingen naar het strandje in Etten-Leur.
Angelina zat met mij in het zand te spelen. Ronald zat op een handdoek met een blikje bier. Ronaldo spetterde in het water.
Tot ik ineens “Mama, help!” hoorde.
Ik keek op en zag Ronaldo worstelen in het water.
Ronald dacht dat hij speelde, maar ik voelde het anders.
Ik schreeuwde naar Ronald dat hij bij Angelina moest blijven, en rende naar Ronaldo toe.
Ik trok hem uit het water en hield hem stevig tegen me aan. Trillend. Dankbaar.
Die nacht merkte ik dat hij het moest verwerken. Die dag had hem geraakt.
En dan… 2018. Een jaar dat in mijn geheugen staat gegrift als het jaar waarin alles stilviel. Alsof de wereld even ophield met draaien, terwijl binnenin mij een storm woedde.
Ik was al weken niet ongesteld geworden. Raar, dacht ik, want met PCOS – dat verdomde PCOS – was zwanger worden nooit vanzelfsprekend. In plaats van hoop, voelde ik verwarring. Wantrouwen zelfs.
Toch deed ik een test. Met trillende handen. Ogen vol twijfel. En daar stonden de twee streepjes. Positief.
Angelina was net één. Nog maar net begonnen met haar eerste stapjes in het leven. Hoe moest ik dit doen? Nog zo’n klein mensje onder mijn vleugels, en nu misschien alweer eentje erbij. Mijn hoofd tolde. Mijn hart sloeg over. Tussen paniek en vreugde zat maar een seconde.
Bij de eerste echo keek de verloskundige geconcentreerd naar het scherm. “Daar is het vruchtzakje,” zei ze zacht, haar ogen serieus. Maar geen kloppend hartje. “Misschien is het nog te vroeg,” stelde ze me gerust. Maar mijn moedergevoel zei iets anders. Iets klopte niet.
Weken later, weer die koude gel op mijn buik. De sonde gleed eroverheen, maar wat ik niet wilde horen, werd waarheid: opnieuw geen hartslag. Mijn hart brak in stilte. Een leegte vulde mijn hele lijf. Ik voelde me hol. Alsof mijn ziel zich had teruggetrokken.
En toen begon het bloeden. Eerst een beetje. Dan de krampen. Ik wist wat er gebeurde. Ik wilde het niet, maar mijn lichaam liet los. In de badkamer, op de wc, voelde ik het. Dat kleine vruchtje, dat onschuldige begin van een leven, gleed stilletjes uit me weg. Mijn baby’tje, dat nooit de kans kreeg. Geen handje dat ik zou vasthouden, geen stemmetje dat me “mama” zou noemen. Alleen een echo van wat had kunnen zijn.

De leegte bleef. Maar de wens om opnieuw leven te dragen was sterker dan de angst. Maanden later probeerden we opnieuw. Deze keer weer positief. Mijn hart sloeg op hol, tussen blijdschap en angst. Was dit ons wonder?
De verloskundige zette de sonde weer op mijn buik. “Daar is het vruchtzakje,” zei ze. En nog één. Een tweeling. Twee kindjes. Twee kansen. Twee harten om van te houden. Twee zieltjes die al een plekje in mijn hart hadden.
Maar dan die vreselijke stilte. Weer geen hartslag. Geen kloppend bewijs van leven. Alleen lege vruchtzakjes op het scherm. Twee hoopjes liefde die nooit verder mochten groeien.
De wereld werd vaag. Mijn lichaam voelde koud. Ik was alleen bij die echo, maar ik voelde de afwezigheid van steun als een echo in een lege kamer. Twee kindjes verliezen. Drie in totaal. In zo’n korte tijd. Mijn hart wist niet hoe het nog moest kloppen.
Een week later lag ik op de operatietafel. Blauw operatiehemd, ijzige kamerlichten, een zuurstofmasker op mijn gezicht. Tranen onder mijn gesloten ogen. Toen ik wakker werd na de curettage, voelde ik me leeg. Verdrietig. Gebroken.

En toen… als of het allemaal niet genoeg was, werd Angelina weer ziek. Benauwd. Huilerig. Ze at niet, dronk niet. We reden naar de huisartsenpost. Onderweg viel ze in de auto ineens stil. Geen gehuil, geen beweging.
Mijn hart stond stil. Ik belde 112. Mijn stem trilde, maar ik bleef kalm voor haar. De ambulance kwam met loeiende sirenes. Ik zat naast haar op het ziekenhuisbed in de wagen, haar kleine handje stevig in de mijne. Rook van de verneveling omringde haar gezichtje. Ze leek zo breekbaar. Zo klein.
In het ziekenhuis werd ze meteen opgenomen. Ze kreeg opnieuw het RS-virus. Mijn meisje was zo uitgeput dat ze gewoon… uitviel. De dokters liepen rond in witte pakken, maskers, handschoenen – als marsmannetjes. En ik… ik lag daar, net geopereerd, in een ziekenhuisbed naast haar.
We lagen samen. Twee overlevenden in een kamer vol machines en piepjes. Ze at weer. We kleurden samen aan een klein tafeltje. En ondanks alles… was het even gewoon fijn. Mijn meisje en ik. Samen. In herstel.
Ronald en Ronaldo kwamen op bezoek. Ronaldo wilde niet door zijn papa worden gewassen – hij wilde door mij. Dus daar stond ik. In een ziekenhuisbadkamer, gebroken maar glimlachend, mijn zoontje onder de douche. Warm water over zijn kleine lijfje, en heel even voelde alles normaal. Een sprankje geluk midden in de storm.
Angelina mocht naar huis. Met puffers. Met hoop. Met voorzichtig ademhalen. En ik… ik was moe. Emotioneel leeg. Maar ook vechtend. Want dat is wat moeders doen.
Wil je weten hoe ons verhaal verder gaat? Over verlies. Over liefde. Over opnieuw beginnen.
Abonneer je op mijn website en lees mee. Want dit is niet het einde. Dit is pas het begin.

Plaats een reactie