
Angelina-Margarita. Mijn oudste meisje.
Zo klein, zo kwetsbaar – en toch begon onze reis met haar al zo zwaar.
De huilbaby
Vanaf het moment dat ze geboren was, huilde ze. Dagenlang, nachtenlang.
Niks werkte. Niet wiegen, niet vasthouden, niet dicht bij mij in bed. Zelfs in de box beneden, met knuffels en muziekjes, bleef ze krijsen.
Het voelde alsof haar verdriet groter was dan ik kon dragen.
Ik ging naar het consultatiebureau, radeloos. Hun antwoord:
“De ene baby huilt nu eenmaal meer dan de ander.”
Maar dit… dit was meer. Ik voelde het aan alles.
Weken gingen voorbij en haar gehuil vulde het huis. Soms kon ik niet eens van haar houden zoals ik wilde. Mijn hoofd was leeg, mijn hart zwaar. Toch fluisterde ik elke keer tegen mezelf: het komt goed, dit gaat voorbij.
Het eerste ziekenhuis
Toen ze vier maanden oud was, gebeurde het ondenkbare. Ze werd ziek. Haar kleine lijfje trok samen bij elke ademhaling. Ze was benauwd, gaf over – niet een beetje spugen zoals een baby, maar echt heftig, alsof haar hele lijf leeg moest.
Ze dronk niet meer. Eten weigerde ze.
In het ziekenhuis kwam de harde waarheid: RS-virus.
Ik zag hoe artsen een sonde bij haar inbrachten, hoe ze ieder uur een verneveling kreeg. Ik zat naast haar bedje, luisterde naar het piepen van de apparaten, en voelde hoe mijn hart brak bij elke kreet van mijn kleine meisje.
Drie dagen duurde het. Drie eindeloze dagen vol angst, machteloosheid en tranen. Daarna mocht ze eindelijk mee naar huis, met een puffer als trouwe metgezel.
Een pittige dreumes
Als dreumes lachte ze breeduit en straalde ze, maar haar karakter was pittig en onstuimig.
Ze huilde nog steeds veel, kreeg driftbuien die als stormen door het huis raasden.
Autoritjes werden een beproeving: gillen, krijsen, zichzelf overstrekken. Mensen keken, ik bloosde van schaamte en voelde me tegelijk zó machteloos. Wat deed ik fout?
Toen ik opnieuw zwanger raakte, moest ze een keer met mijn moeder in de auto blijven terwijl ik bij de verloskundige was. Het gegil was oorverdovend, ze schreeuwde alsof de wereld verging.
Het tweede ziekenhuis
Ze was iets ouder dan één toen het weer gebeurde.
Benauwd. Overgeven. Mijn hart kromp.
Onderweg naar de huisartsenpost zag ik hoe ze wegviel in de auto. Haar kleine hoofdje hing slap. Mijn paniek sloeg toe. 112.
Met sirenes werden we naar het ziekenhuis gebracht. Ik zat in de ambulance, haar kleine handje in de mijne, terwijl ze opnieuw vernevelingen kreeg.
Opnieuw RS-virus.
Opnieuw drie dagen ziekenhuis.
Opnieuw mijn hart dat brak bij elke piepende ademhaling.
En toch… toen ik haar slapende gezichtje zag, wist ik één ding zeker:
Ik laat je nooit in de steek. Ik zal er altijd voor je zijn.
Kleuterjaren
De jaren daarna bleven zwaar. Op haar derde zette ik haar op de peuteropvang. Voor haar, maar ook voor mij.
Ze genoot. Vertelde verhalen. Haar ogen fonkelden.
Maar thuis… thuis bleven de buien. Het gillen, het huilen, de drift.
Op haar vierde, een echte kleuter, werd ze netjes zindelijk. Behalve met haar ontlasting. Dat werd een strijd. Luier aan naar school, tranen thuis.
Toch had ze het er zo naar haar zin. Op school was ze een lief, vrolijk meisje. Thuis barstten de stormen los.
En ik… ik hield vol. Ik bleef geloven: het komt goed. Het móét goed komen.
—
💌 Wil je verder lezen over Angelina’s weg en hoe wij samen ons pad gingen? Abonneer je dan op mijn website, waar ik het vervolg deel

Plaats een reactie