Toen liefde een nachtmerrie werd.

Toen liefde een storm werd

Hoe ik verdwaalde in een droom, en langzaam weer terugvond

Ik was negentien.
Negentien jaar jong, vol dromen, hunkerend naar liefde.
En toen ontmoette ik Thom.
(Niet zijn echte naam, maar alles aan hem voelde echt. Té echt.)

Hij had rossig haar dat glansde in de zon, sproetjes over zijn hele lichaam alsof de zomer hem had gekust, en ogen waarin je kon verdwalen als je niet uitkeek.
Zijn lichaam perfect. Zijn stem zacht. Zijn armen veilig.
En ik?
Ik viel.
Hard. Zonder rem.
En ik wilde niets liever dan blijven vallen.

We leerden elkaar kennen, en alles ging snel.
We sliepen samen. Zijn adem naast me voelde als thuiskomen.
Hij fluisterde in het donker dat hij af en toe blowde.
Een jointje. Niks ernstigs, zei hij.
Ik hield er niet van.
Maar ik hield al van hem. Dus ik slikte het.

Hij werkte bij een bakker, begon ’s nachts al.
Soms kwam hij thuis met broodjes – warm, vers, voor mij.
Ik voelde me speciaal.
Verliefd.
Gekoesterd.

Na een paar weken vroeg hij:
“Kom je bij me wonen?”

Mijn hart sloeg over.
Een toekomst samen!
Ja, natuurlijk zei ik ja.

Maar ik stelde één grens.
Bretley gaat mee.

Mijn hondje. Mijn schaduw. Mijn houvast.
Ik had hem gekocht van mijn eigen geld, na een vorige relatie.
Hij was mijn ‘nooit meer alleen’.

Thom zei:
“Tuurlijk. Hij hoort er gewoon bij.”
En dat voelde als liefde.




Liefde in zijn mooiste vorm

De eerste weken waren warm.
We lachten.
Hij verraste me met ontbijtjes.
Ik voelde me gewild. Gezien.

Voor zijn verjaardag plande ik een verrassing.
Ik belde zijn werk en regelde dat hij langer bleef.
Thuis strooide ik papieren hartjes over de vloer.
Ik maakte hapjes, hing slingers op, trok mijn mooiste jurk aan.
Toen hij binnenkwam en alles zag, glinsterden zijn ogen.
Hij trok me tegen zich aan.
Kuste me.
Zacht. Langzaam.
Alsof ik de wereld voor hem was.

Ik voelde me zó gelukkig.
Alsof het leven eindelijk klopte.

Maar soms komt de storm pas als je net denkt dat het windstil is.




Scheuren in het droombeeld

Hij raakte zijn baan kwijt.
Te vaak ziekgemeld. Ze vertrouwden hem niet meer.

Toen kwam de waarheid.
Hij verdiende zijn geld nu met cocaïne en wiet.
En ja, hij gebruikte zelf ook af en toe.
Een snuifje hier. Een hijsje daar.

Ik slikte even.
Maar ik hield van hem.
Dus ik bleef.

Langzaam rolde ik zijn wereld binnen.
Eerst keek ik toe.
Toen hielp ik.
En uiteindelijk… deed ik mee.

En ja – ik gebruikte ook.
Eerst uit nieuwsgierigheid.
Toen omdat het spannend voelde.
Die tinteling op je tong.
De verdoofde neus.
Alsof je even niet meer hoefde te voelen.

Thom had een kweekkamer boven, vol planten en felle lampen.
De geur van wiet was verstikkend, maar ik deed mee.
We waren een team.
Of dat dacht ik toen.




De nacht die ik nooit vergeet

We gingen met z’n drieën – Thom, zijn beste vriend Man (ook niet zijn echte naam), en ik – naar een visvijver.
Daar zou een deal plaatsvinden.

Het was donker. Koud.
Mijn adem trok wolkjes in de lucht.

De kopers arriveerden.
Eén van hen trok een pistool.
Hij schoot.
Zonder waarschuwing.

Thom trok ook een pistool.
Hij schoot terug.
Het ging zó snel.

Ik kroop ineen. Gilde.
Mijn hart bonsde in mijn keel.
Ik dacht: Ik ga hier sterven.

Thom tilde me op en rende naar de auto.
Man was verdwenen.
We reden rond. Zochten hem.
Nergens.

Tot hij ineens voor de deur stond.
Met de politie.

We moesten ons verhaal doen.
Ik voelde me leeg. Dof.
Maar ik leefde.




Van liefde naar angst

Vanaf dat moment ging het snel bergafwaarts.

Thom werd achterdochtig.
Beschuldigde me van coke stelen.
Hij schreeuwde.
Trok me aan mijn haar.
Werd ruw. Koud.

En ik?
Ik raakte op.

Op een avond…
Ik wilde niet meer voelen.
Ik slikte alle slaappillen die ik had.
Alles werd zwart.

Thom belde mijn moeder.
Zij nam me mee naar het ziekenhuis.

Ik herinner me niets.
Alleen dat diepe, allesverterende gevoel van:
Ik wil gewoon rust.

Maar ik leefde.
Nog steeds.




De grens

Een paar dagen later.
Weer ruzie.
Weer een beschuldiging.

En toen richtte hij een pistool op me.

Een fractie van een seconde.
Maar genoeg.

Mijn hart bevroor.

Ik belde mijn moeder.
Zacht. Fluisterend.
“Bel 112.”

Ik greep Bretley.
En rende.
De kou beet in mijn huid.

En daar stonden ze.
Mijn vader.
Mijn zwager.

Ik viel in hun armen.
Mijn benen begaven het.
Mijn lichaam trilde, huilde, beefde.
Ik voelde me klein.
Gebroken.
Verloren.

En toen… de sirenes.
Fel. Scherp. Onontkoombaar.

De politie omsingelde het huis.
Ze riepen zijn naam.
Bonkten op de deur.

Thom deed open.
Kalm. Alsof er niets aan de hand was.

Hij werd gearresteerd.

En toen vonden ze alles.
Het pistool – verstopt in de wasmachine.
Zakjes drugs.
Wietplanten.
Geld. Zó veel geld.

Mijn nachtmerrie werd uitgesproken in feiten.
Hij was écht.
Ik had erin gewoond.


—🌱 Ik begin opnieuw

Ik ging terug naar mijn moeder.
Niet als de jonge vrouw die ooit dapper de deur achter zich dichttrok met hoop in haar hart,
maar als een gebroken meisje, leeg vanbinnen.
Mijn armen om Bretley geklemd alsof hij me nog bij elkaar hield.

De stilte in mijn oude kamer voelde zwaar.
Alsof de muren alles wisten, maar niets zeiden.
Ik keek naar het plafond zoals ik dat vroeger ook deed,
maar dit keer zonder dromen.
Alleen pijn.
Die volgde me overal.
Zelfs hier – thuis.

Mijn moeder was zacht.
Voorzichtig.
Alsof ze bang was dat ik opnieuw zou breken als ze te hard ademde.

Op aanraden van de politie meldde ik me bij slachtofferhulp.
Met lood in mijn schoenen.
Ik verwachtte een kille ruimte. Formulieren.
Maar ik vond iets anders.

Een stoel.
Een kop thee.
En een paar ogen die niet oordeelden.

Voor het eerst in lange tijd mocht ik praten.
Echt praten.
Over alles.
Over hem. Over mij. Over hoe liefde je kan laten bloeden zonder dat iemand het ziet.

En daar… ontmoette ik haar.

Mar.
(Niet haar echte naam, maar haar aanwezigheid was echter dan echt.)

Ze zat daar met dezelfde blik als ik.
Ogen die te veel gezien hadden.
Een glimlach die ooit breder was geweest.

Ze had ook liefgehad.
Ook gezwegen.
Ook geheeld – of dat geprobeerd, net als ik.

Er gebeurde iets stil tussen ons.
Een herkenning. Een fluisterende verbinding.

We werden vriendinnen.
Niet omdat we dat wilden.
Maar omdat we elkaar begrepen zonder het uit te hoeven leggen.

Samen lachten we weer. Voorzichtig in het begin.
Alsof we wilden testen of het mocht.
Of het veilig was om weer licht toe te laten.

We gingen naar concerten.
Tussen de mensen. De muziek. De lampen.
We voelden ons even niet onze geschiedenis.
Maar gewoon meisjes. Jong. Levend.
Vrij.

En ergens in die overweldigende menigte, met onze stemmen schor van het meezingen,
werd ik weer een beetje mezelf.

We werden stiekem smoorverliefd op Thomas Berge.
Niet écht verliefd.
Maar zo’n kinderlijke, blije verliefdheid die veilig is.
Onschuldig.
Alsof we even opnieuw mochten beginnen.
Alsof ons hart weer durfde te kloppen zonder angst.

En dat was misschien het begin van mijn herstel.
Niet met grote stappen.
Maar met kleine momentjes waarop ik dacht:

Misschien kom ik hier ooit écht uit.






Wil je weten hoe het verder gaat?
Blijf dan bij me.
Mijn verhaal is nog niet voorbij.

I'm Emily

Welcome to Nook, my cozy corner of the internet dedicated to all things homemade and delightful. Here, I invite you to join me on a journey of creativity, craftsmanship, and all things handmade with a touch of love. Let's get crafty!

Let's connect